Blaaskwintet Solo
Blaaskwintet + ...
Voor beginners
Componisten
Switch to English

Arrangement voor: Blaaskwintet

Compositie: Hino do Estado do Ceará

Componist: Nepomuceno Alberto

Arrangeur: Sousa, Welligton

Download gratis partituren:

For Wind Quintet (Sousa). Complete Score PDF 0 MBFor Wind Quintet (Sousa). Flute PDF 0 MBFor Wind Quintet (Sousa). Oboe PDF 0 MBFor Wind Quintet (Sousa). Clarinet in B PDF 0 MBFor Wind Quintet (Sousa). Bassoon PDF 0 MBFor Wind Quintet (Sousa). Horn in F PDF 0 MB
Wikipedia
Alberto Nepomuceno (Fortaleza, 6 juli 1864 – Rio de Janeiro, 16 oktober 1920) was een Braziliaans componist, muziekpedagoog, dirigent, organist en pianist. Hij wordt algemeen beschouwd als de "vader" van het nationalisme in de klassieke muziek in Brazilië. Hij was een zoon van het echtpaar Vítor Augusto Nepomuceno en Maria Virgínia de Oliveira Paiva.
Nepomuceno kreeg zijn eerste muziekles van zijn vader, die was namelijk violist, leraar, dirigent van de plaatselijke banda (harmonieorkest) en organist van de kathedraal van Fortaleza. In 1872 verhuisde hij met zijn familie naar Recife, waar hij begon te studeren (piano en viool). In 1880 overleed zijn vader. Hij voelde zich daarna verantwoordelijk voor de financiële ondersteuning van zijn moeder en zijn zus en stopte met zijn studie en werd werkzaam als letterzetter en gaf privé muzieklessen. Met steun van zijn docent Euclides Fonseca kon hij privé verder studeren. In zijn gehele jeugd was hij bevriend met studenten en docenten van de Faculdade de Direito da Universidade Federal de Pernambuco (Faculteit voor Rechtsgeleerdheid) in Recife. De faculteit was in die tijd een groot intellectueel centrum van het land. De docent voor sociologie Tobias Barreto adviseerde hem Duitse taal en filosofie te studeren. Nepomuceno kreeg lessen bij Barreto in beide disciplines. Op 18-jarige leeftijd werd hij dirigent van de openbare concerten in het Carlos Gomes Club in Recife. Hij werkte ook als violist bij de première van de opera Eleonor, van Euclides Fonseca in het Teatro Santa Isabel te Recife. Met zijn familie vertrok hij naar de Braziliaanse deelstaat Ceará. Zijn verzoek om financiering aan de keizerlijke regering om in Europa te gaan studeren werd verworpen, vanwege zijn politieke activiteiten als aanhanger van het republicanisme en afschaffing van de doodstraf.
In 1885 verhuisde hij naar Rio de Janeiro in de buurt van andere kunstenaars zoals Rodolfo Bernadelli en Henrique Bernadelli. In de Beethoven Club verbeterde hij zijn kennis in het pianospel en speelde samen met Arthur Napoleão dos Santos (1843-1925). Kort daarna werd hij benoemd tot docent in de Piano Club, waar ook de schrijver en bibliothecaris Joaquim Maria Machado de Assis werkzaam was.
De hoofdstad van het rijk beleefde een tijd van grote sociale, politieke en culturele onrust. In de sociale sfeer was er een onthutsende bevolkingsgroei met een verhoogde economische migratie in verband met de afschaffing van de slavernij. Ook op literair gebied waren er grote veranderingen, de romantische beweging, de symbolistische beweging en de natuuronderzoekers waren in Europa in mode en hadden invloed op vele Braziliaanse schrijvers zoals Olavo Bilac (Olavo Brás Martins dos Guimarães Bilac), Joaquim Maria Machado de Assis, Aluísio Azevedo (Aluísio Tancredo Gonçalves de Azevedo) en Coelho Neto (Henrique Maximiano Coelho Neto). De grote belangstelling van Nepomuceno voor de Braziliaanse literatuur en de appreciatie van de Portugese taal kwam van enkele van de belangrijkste schrijvers uit die de periode en de vriendschap met verschillende dichters en schrijvers.
In de jaren voor de afschaffing van de Slavernij in Brazilië componeert Nepomuceno zijn Dança de Negros (1887), een van de eerste composities die over etnische doelen en motieven in Brazilië werd geschreven. De première van dit werk dat later als deel "Batuque", binnen de Série Brasileira werd gepubliceerd, verzorgde de componist zelf in de deelstaat Ceará. In deze periode ontstonden verder de werken Mazurca, Une fleur, Ave Maria en Marcha fúnebre.
In gezelschap van zijn beste vrienden, de gebroeders Henique en Rodolfo Bernadelli reisde hij in augustus 1888 met het doel in Europa zijn muzikale kennis uit te breiden. In Rome studeerde hij aan de Accademia Nazionale di Santa Cecilia bij Eugenio Terzian (harmonie) en Giovanni Sgambatti (piano). Na de dood van Terzian studeerde hij bij Cesare De Sanctis. In 1890 vertrok hij naar Berlijn, waar hij zijn beheersing van het Duits perfectioneerde en aan de Hochschule für Musik bij Heinrich von Herzogenberg compositie studeerde. Tijdens een vakantie ging hij naar Wenen om mee te werken aan een concert van Johannes Brahms, een vriend van zijn docent Heinrich von Herzogenberg, onder leiding van Hans von Bülow. Later wisselde hij naar het Stern'sche Conservatorium in Berlijn, waar hij twee jaar compositie en orgel bij Arno Kleffel en piano bij H. Ehrlich studeerde. Zijn toekomstige vrouw, de Noorse Walborg Bang zelf een leerling van de componist Edvard Grieg, ontmoette Nepomuceno tijdens de pianostudie bij Theodor Lechetitzky. In 1893 huwde hij met Walborg Bang. Na hun huwelijk verhuisden ze naar het huis van Grieg in Bergen. Deze vriendschap was van essentieel belang voor Nepomuceno om een nationalistisch ideaal te ontwikkelen. In 1894 studeerde hij af aan het Stern'sche conservatorium met de uitvoering van twee werken door de Berliner Philharmoniker, namelijk zijn Scherzo, voor groot orkest en de Suíte Antiga.
Vervolgens schreef hij zich in aan de Schola Cantorum in Parijs en studeerde orgel bij Alexandre Guilmant. Toen ontmoette hij ook Camille Saint-Saëns, Charles Bordes en Vincent d'Indy. Hij bestudeerde intensief het werk Prélude à l'après-midi d'un faune van Claude Debussy en verzorgde in 1908 zelf de première in Brazilië. Op uitnodiging van Charles Chabault, hoogleraar voor Griekse taal aan de Parijse universiteit Sorbonne, schreef hij toneelmuziek voor de tragedie Electra. In 1900 ontmoette hij de toenmalige directeur van de Weense Staatsopera Gustav Mahler en vroeg hem zijn opera Ártemis aldaar uit te voeren. Tijdens deze onderhandelingen werd hij ziek en ging terug naar Bergen (Noorwegen), de thuisbasis van zijn vriend Edvard Grieg.
In 1910 voerde hij met financiële steun door de Braziliaanse overheid diverse concerten met werken van Braziliaanse componisten in Brussel, Genève en Parijs uit. Tijdens deze concertreis bezocht hij Claude Debussy in Neuilly-sur-Seine.
De 4 augustus 1895 markeert niet uitsluitend een historisch concert door Nepomuceno, maar ook het begin van zijn campagne voor het nationalisme en dat leverde hem veel kritiek en censuur op. Tijdens dit concert in het "Instituto Nacional de Música (Nationaal Instituut voor muziek)" werden een reeks eigen vocale werken in het Portugees uitgevoerd. Een machtige muziekcriticus Oscar Guanabarino (Oscar Guanabarino de Sousa Silva) en vurig pleitbezorger van zingen in het Italiaans, schreef voor diegenen die beweerden dat de Portugese taal ongeschikt was voor het belcanto. De strijd voor de nationalisatie van de klassieke muziek werd aangevuld door de programmering van concerten, die Nepomuceno van 1896 tot 1906 dirigeerde, in het "Associação de Concertos Populares" ter bevordering en ter erkenning van Braziliaanse componisten. Op verzoek van de burggraaf Alfredo d'Escragnolle Taunay (Alfredo Maria Adriano d'Escragnolle Taunay) werden een aantal werken van de componist Padre José Maurício Nunes Garcia uitgevoerd en hij ondersteunde ook andere populaire componisten zoals Catulo da Paixão Cearense.
Nepomucenos verzameling van twaalf liederen in het Portugees schreef hij in 1904 en werden gepubliceerd door de muziekuitgeverij Vieira Machado & Moreira de Sá. De opera O Garatuja in drie bedrijven en gebaseerd op het gelijknamige werk van José de Alencar (José Martiniano de Alencar) wordt beschouwd als de eerste echt Braziliaanse opera. Niet uitsluitend het gebruik van het Portugees, maar ook de typische ritmes die in het werk gebruikt zijn, zoals de habanera, de tango, het markeren van de gesyncopeerde maxixe (Tango brasileiro) en de lundu, een karakteristiek ritme uit de Braziliaanse populaire muziek vanuit de 19e eeuw van bijvoorbeeld Xisto Bahia (Xisto de Paula Bahia) en Chiquinha Gonzaga (Francisca Edwiges Neves Gonzaga), maken dit werk echt uniek Braziliaans.
In 1907 werd de hervorming van het Braziliaanse volkslied (Hino Nacional Brasileiro) begonnen op een tekst van Joaquim Osório Duque Estrada (1870-1927). In het volgende jaar organiseerde Nepomuceno een concert in het "Instituto Nacional de Música (Nationaal Instituut voor muziek)" waar onder anderen de première van een gitaarconcert van de populaire componist Catulo da Paixão Cearense uitgevoerd werd. Dit veroorzaakte grote opschudding bij de orthodoxe muziekcritici, die vonden dat het een provocatie was voor de tempel van de kunst.
Een promotor van de nationale talenten Sampaio Araújo zorgde ervoor, dat nieuwe werken van de toen nog jonge Heitor Villa-Lobos gepubliceerd werden. Verschillende composities van de jonge Villa-Lobos werden aanvankelijk op de rugzijde van gepubliceerde werken van Nepomuceno gedrukt. Nepomuceno heeft ook als dirigent diverse werken van Villa-Lobos geprogrammeerd.
Na de dood van Leopoldo Miguez (Leopoldo Américo Miguez) in 1902 werd Nepomuceno leider van het "Instituto Nacional de Música (Nationaal Instituut voor muziek)" in Rio de Janeiro. Sinds 1894 had hij al als docent voor orgel aan dit instituut gewerkt. Een belangrijk punt als directeur was de invitatie aan Camille Saint-Saëns Brazilië te bezoeken. Verder steunde hij een reeks van projecten voor de institutionalisering van de Braziliaanse klassieke muziek. Voor de componist van het Braziliaanse volkslied (Hino Nacional Brasileiro) Francisco Manuel da Silva werd een grafsteen opgesteld en onthuld. Nepomuceno werd uitgeroepen tot muzikaal directeur en chef-dirigent van de symfonische concerten tijdens de "Exposição Nacional da Praia Vermelha" tot viering van de honderdste verjaardag van de opening van de havens. In deze concerten waren naast werken met Braziliaanse achtergrond van Europese componisten zoals Claude Debussy, Albert Roussel, Alexander Glazunov en Nikolaj Rimski-Korsakov ook werken van Braziliaanse componisten zoals Antônio Carlos Gomes, Joaquim Antonio Barroso Neto, Leopoldo Miguez en Henrique Oswald geprogrammeerd.
In 1909 stuurde hij een wetsvoorstel aan het Congresso Nacional do Brasil om een door de overheid gesubsidieerd Nationaal Symfonieorkest te creëren. In 1913 dirigeerde Nepomuceno in het stedelijk theater van Rio de Janeiro een groot Wagner-Festival met als solist de tenor Karl Jorn uit Bayreuth. In 1916 probeerde hij met hevige tegenstand de dodecafonie van Arnold Schönberg te implementeren. Hij voelde de toenemende druk van de faculteit op zijn projecten en nam nog in hetzelfde jaar ontslag. Na de echtscheiding van zijn vrouw kwam hij in ernstige financiële problemen. Zijn laatste concert vond in 1917 in het stedelijk theater van Rio de Janeiro plaats. Erg ziek en zwak overleed hij in 1920 op 56-jarige leeftijd.